Het is niet alleen een eer hier te mogen staan, het is ook een uitdaging om te
proberen, telkens weer te proberen, iets te zeggen over wat toch de oudste
kunstdiscipline is die we kennen, En sterker nog deze discipline staat fier
overeind. De ene na de andere tentoonstelling over tekenen wordt
samengesteld en zo is er de laatste jaren wel sprake van een trend.
Omdat ik nog wel eens een tekst heb geschreven en al eerder een opening heb
gedaan waarin ik probeerde iets over het fenomeen tekenen te zeggen dacht ik
dat ik er wel een beetje (theoretische) kijk op had gekregen en dat ik wel iets te
berde kon brengen. Omdat ik het geluk had de afgelopen zomer in het Museum
of Modern Art in New York de tekeningententoonstelling Compass in Hand te
zien, dacht ik naïef dat ik daar die theorietjes van mij wel bevestigd zou zien.
Het tegendeel gebeurde. Deze tentoonstelling kende zijn weerga niet. Ik liep van
de ene zaal naar de andere, soms in steeds grotere verwarring, en in vrijwel elke
zaal dacht ik ja zo kan het dus ook nog. Ik viel van de ene positieve
verbijstering in de andere en de bijna 400 tekeningen die daar hingen waren
kwalitatief, inhoudelijk dus, in techniek, theoretisch en esthetisch zo schitterend
en geweldig dat ik volstrekt confuus het museum verliet. Terug naar af kreeg ik
het gevoel.
Dat af zou kunnen zijn dat: Als je starend uit het raam de condenssporen van
een vliegtuig in de lucht waarneemt, er soms niet alleen een moment van kleine
bezinning is, maar je ook het begin van een lijn constateert, het mogelijke begin
van een beeld. Met het verdwijnen van dat waterdampspoor kan het idee van
een beeld ook weer opgaan in het niets, maar het zet je wellicht eveneens aan
tot gedachten of tot het schrijven van een regel. Als je op winterse dagen de in
V-vorm vliegende ganzen hoog in de lucht voort ziet trekken, soms met enige
aarzeling hun route bijstellend, en we met enige fantasie hun spoor als een
tekening in de lucht zouden willen reproduceren, hebben we het begin van een
autonoom beeld. Zouden we deze geziene lijnen en een meervoud ervan al dan
niet erbij gefantaseerde lijnen transformeren naar een vel papier, dan is de kans
groot dat er een beeld ontstaat dat niet letterlijk die condens- en routesporen
vertoont, maar dat een eigen beeldende kwaliteit vertegenwoordigt.
De werkelijkheid en de fantasie transformeren naar een beeld is voor
kunstenaars de gewoonste zaak van de wereld. Afhankelijk van talent, kennis en
kunde zal er een beeld ontstaan dat door kijkers op zeker moment geduid
wordt als typisch werk van die en die. De hier exposerende kunstenaar hebben
alle vier al een stevige eigen beeldtaal ontwikkeld. Veel kunstenaars maken
uiteraard technische, dan wel beeldende vorderingen gedurende hun carrière en
zij steunen daarin op ervaring en geleerde technieken. Soms is het wel genoeg,
dan is er de wens om eens met een ander materiaal te werken en uitgedaagd te
worden om de grenzen te verleggen in idee�n en disciplines om tot nieuwe
beeldende mogelijkheden te komen. Ineens wil die kunstenaar bijvoorbeeld
vanuit een tekening of een schets een ruimtelijk werk maken, zoals Toni van
Tiel dat doet. Maar een idee van een tekening domweg omzetten naar een
ander medium is natuurlijk niet zo boeiend. Het wordt pas boeiend als de
kunstenaar ontdekt dat die nieuwe discipline of techniek uitdaagt en dat er
risico's moeten worden genomen, waardoor er beeldende en technische
ontdekkingen worden gedaan, die tot een nieuw oorspronkelijk beeld zijn
uitgegroeid. Zoals in de animaties van Irina Birger.
Die kunstenaar is in zijn of haar werk en werkhouding vrijwel altijd een
sensibele, veranderende persoon. En de veranderingen in gevoel en denken zijn
prachtig te volgen in de lange tekeningen van Jasmijn Visser. Het kunstwerk
is en blijft desondanks een bevroren, roerloos beeld. Het maken van een
kunstwerk is ook altijd het vullen van een leegte. Dat maken is tegelijkertijd een
inwijding die de ideeën over het zelf en de ander verandert, maar die je ook zelf
verandert. Het is een metamorfose. Hoe dynamisch of levendig een kunstwerk
ook kan ogen, een bezielde entiteit lijkt te zijn, het blijft een roerloos product
van de geest. Maar dan is er Toni van Tiel, die met ruimtelijk werk en daarin
geluid geïntrigeerd, iets anders aan de orde stelt. Hoewel de relatie tussen zijn
kleine tekeningen en de sculptuur wel te vinden is, heeft hij in beide disciplines
toch zijn geest de vrije loop gelaten en ze een zelfstandige en oorspronkelijke
kwaliteit meegegeven. De tekeningen van Melle de Boer bekijkend is het eerste
begrip dat me te binnenschiet dynamiek. Zijn met flair en vaart getekende series
gaan niet over de vertaling van de werkelijkheid naar een statisch beeld. Zijn
werk vormt veel meer de neerslag van een bijna dagboekachtige getekende
benadering van binnenuit en hij legt zijn ziel en geest wel voor een groot deel
bloot. Frappant dat je kijkend naar de absoluut statische tekeningen van Irina
Birger op een ander spoor wordt gezet, maar dat je juist in het heldere en
statische, evenzo een oorspronkelijke visie en ook avontuur terugvindt. Yasmijn
Visser heeft met haar monnikengeduld in de meterslange tekeningen een meer
meditatieve houding, die in kleine beeldende metamorfoses, uiteindelijk leiden
naar het gewenste totaalbeeld. Van de orde naar een lichte chaos.
Telkens is het toch weer een uitdaging om te proberen in woorden iets meer te
zeggen over het tekenen, over processen, keuzes en ideeën, al of niet helemaal
theoretisch onderbouwd, die de aandacht voor het tekenen vergroten.
Uiteindelijk blijft het gaan over de kunstwerken zelf.
De mate van variatie van deze Voorbij Tekenen-expositie is groot. Deze vier
kunstenaars zullen ongetwijfeld in hun ideeën en werken nog vele malen
veranderen. Minimaal, zoals bijna gesymboliseerd in de tekening van Jasmijn
Visser, of subtieler in de transformatie van een statisch werk naar een
videowerk zoals bij Irina Birger. Manifester zoals van de tekening naar de ruimte,
bij Toni van Tiel. Of nog weer anders, meer naar binnengericht bij Melle de Boer.
De meeste kunstenaar kiezen voor wat zij willen maken, maar zij laten vast ook
momenten en gevoelens een rol spelen in het maakproces. Altijd zal de maker
significant in het kunstwerk aanwezig zijn. Altijd zal er een significant percentage
"zelf", zijn ziel, zijn "ik", zijn bewustzijn, kortom zijn "innerlijk" aanwezig zijn
in een kunstwerk. Dat biografisch patroon levert ons een "blik van
binnenuit" op.
Hoe voorbij we het tekenen in deze expositie ook zijn geraakt, het is een bijna
geruststellend idee voor mij dat Eva Roovers met de keuze voor deze vier
kunstenaars aan de basis, het startpunt van het kunstwerk niet veel heeft
afgedaan. Het beginpunt ligt in veel gevallen toch bij het pakken van een pen,
een potlood of tekenstift en dan begint het "gedonder" op papier.
Arno Kramer
16 januari 2010