Frequenties
In de rust van het kunstenaarsatelier heb ik een tijdje stil gezeten,
als op de loer, de blik gericht op een drievoudig puzzelwerk dat
als een triptycon voor mij stond. Ik gebruik bewust het Griekse
woord voor drieluik wegens het vibrerende geluid dat zich door
de lucht boort wanneer je het uitspreekt.
Want in dit werk gaat het om de vibratie, de trillingen van de
vlakken waar drie maal 8.505 puzzelstukjes in een rijke schakering
van kleuren elkaars spectrum beïnvloeden. Over en weer ontstaat
er een reactie tussen de geschilderde elementen. Talrijke pulsaties
lopen over de kleurdeeltjes.
Frequenties noemt Pieter Bijwaard zijn laatste creatie.
De deeltjes zijn geordend in verschillende harmonische kleurvelden.
De korte overgang tussen de verschillende kleuren en hun simultane
interactie zorgt voor een ononderbroken spel van tinten dat doet
denken aan een polifonisch gezang. Zoiets als de Sequenza’s
van Luciano Berio wiens werk Bijwaard veel inspireert. Net als dat
van John Cage en Morton Feldman. De uitvoerige stukken die
Feldman componeerde tonen ook vergelijkbare trekken met de
Frequenties van Bijwaard.
Ze zijn gekenmerkt door hun nauwelijks waarneembare
opstapelingen van tonen waaruit een rustige klankstemming
ontstaat.
Zo werkt het ook in het drieluik van Bijwaard; de herhaling van
het basismotief (het puzzelstukje) en de subtiele aansluiting
van de verweven kleurvelden verlenen rust aan het geheel.
Maar op een afstand bekeken of door de ogen samen te knijpen,
ontstaat er een plots zichtbare structuur die, als het ware, een
cadans brengt in deze schijnbare rust. Deze structuur bestaat
uit blokken waarvan de tinten verwant zijn of juist contrasterend.
Soms is de grens tussen de blokken amper zichtbaar, daar weer
is de schakellijn ook duidelijk waarneembaar. Mijn blik slingert
van organische naar stelselmatige ordening van de vlakken.
Het samenspel van de puzzelstukjes oogt impressionistisch en
soms pointillistisch en tevens denk ik ook aan Cézanne.

Pieter Bijwaard – Frequentie (detail) – gouache op papier – 70 x 150 cm – 2010
De kleurfluisteraar
In de stilte van het atelier vertelt de kunstenaar mij over zijn werk.
Door het raam kan ik zijn huis zien staan aan de overkant van het
door een palissade omsloten hofje. Rust in de geordende tuin;
klein grasveld, twee brede perken waar digitalispollen en
rozenstruiken wachten op de zon, gebed in aangeschoffelde
tuingrond. Het Noorderlicht stroomt naar binnen.
De ruimte waar we zitten is niet groot.
Maar juist de beperking is van essentieel belang voor Bijwaard.
Vijfendertig jaar heeft hij vrijwel op één formaat gewerkt, wat hem
niet verhinderde zijn zoektocht op de meest uiteenlopende
manieren af te leggen en telkens nieuwe wegen in te slaan.
Zijn tekeningen op papier van 32,5 x 25 cm, kan je zien als zoveel
vensters geopend op semi-abstracte denkbeeldige werelden
waarvan de echo, nog lang na de aanschouwing, hoorbaar blijft.
Laden vol met zorgvuldig opgeborgen tekeningen. Een zestigtal
worden uitgekozen en geëxposeerd samen met foto’s van
Diana Blok. Wat opvalt is dat de abstracte composities van de
beeldend kunstenaar hun visuele weerklank vinden in de door
de lens van de fotografe gevangen beelden.
Aan het licht van deze op associatieve en intuïtieve wijze
samengestelde combinaties ontdekt men Bijwaard’s grote
openheid, evenals de universele draagwijdte van zijn vormentaal.
Wat mij trof tijdens onze ontmoetingen is de ernst waarmee
hij elk ambachtelijk aspect van zijn vak bedachtzaam benadert.
Bij het kijken naar zijn tekeningen neem je het langzame en
geduldige proces waar. De kunstenaar jaagt tussen droom en
werkelijkheid. Hij weet heel goed hoe hij de vluchtige aanwezigheid
van een vruchtbare gedachte moet temmen; namelijk door de
materiële hulpmiddelen te hanteren met geduld, concentratie,
alertheid en empathie. Hij weet dat hij zich de tijd moet toe
eigenen, of beter gezegd, dat hij zich in de plooien van de tijd
moet laten glijden, wil hij een antwoord van zijn vragende
hand ontvangen.
Behoedzaam gaat Pieter Bijwaard als bewuste ambachtsman
om met de traditionele schilder- en grafische technieken;
hij verzint ook nieuwe gereedschappen, vaak door het toeval
op zijn pad gelegde voorwerpen.
Bij het tot stand komen van het drieluik, is het aanschaffen van
een ponsmachine bijvoorbeeld van betekenis geweest; het
knippatroon gaf de maat van het puzzelstuk.
Na zoveel jaren op vrijwel één formaat te hebben gewerkt,
zag de kunstenaar voor het eerst een zinvolle aanleiding om
dat formaat los te laten, met grotere vlakken te experimenteren,
en met een minimaal gegeven de ruimte te onderzoeken.
”Ik begin vaak met een wit vel papier en bewerk het op
verschillende wijzen”, vertelt hij. ”Soms is de verf dekkend
dan weer uiterst schraal en ligt als ruis over het papier.
Soms is de kleur waterdun laag op laag opgebouwd, het papier
binnendringend, zoals bij de frescotechniek.”
Hij maakt ook gebruik van drukinkt om de kleur en de huid van het
oppervlak intenser, zintuiglijk voelbaar te maken. Op sommige
puzzelstukken merk je een verloop van kleur terwijl op anderen die
ondoorschijnend en egaal is. ”Elk stuk is gelijkwaardig”, voegt hij
toe, ”en dringt zich als vorm niet op”.
Door de beperking van het puzzelstuk en zijn minimale basisvorm
komt de rijkdom van de kleurschakering optimaal tot zijn recht.
Hierdoor oogt het geheel transparant ondanks de aanwezigheid
van donkere tinten.
Stilte, aandacht, ontspanning. De vlakken beginnen te vibreren,
de kleur gromt, roept zacht, ruist, zucht, zingt, echoot, reikend
naar de ruimte.
Deze kunstenaar is een kleurfluisteraar.
Colette Noël
Bergen, mei 2010







