Werkomschrijving
Een overeenkomst van veel van het werk is dat het gepresenteerde beeld uit
kleinere delen is opgebouwd.

Maurice van Daalen, 2010, detail tekening (vergroot)
In mijn tekeningen kunnen het hekdelen zijn die samen een hekwerk vormen
of kleine vlakjes, waaruit een toren is opgebouwd. In mijn collages zijn het
een opeenhoping van vele tientallen gekleurde stoken die gezamenlijk een
geheel vormen. In het werk lijkt het wel alsof ik met bepaalde beeldelementen
iets aan het bouwen ben. Daarom kan je mijn werk ook wel vergelijken met
bouwwerken.

Een ander aspect is dat ik de behoefte heb een overdaad aan vorm en lijn.
Mijn tekeningen hebben vaak in bepaalde delen van het vlak een grote
lijndichtheid. Met mijn collages geld hetzelfde. Ik plak zoveel stroken aan
elkaar zodat het vlak daarachter bijna geheel verdwijnt.
In veel gevallen creëer ik een situatie die het werk een beperking of
begrenzing aangeeft die het isoleert. Dat kan zijn; een tekening geplaatst
in een boek of een installatie gepresenteerd in een afgesloten ruimte.
Maar vaak kan die grens ook gevonden worden in het werk zelf. Het laat
het kader zien waar binnen het werk staat of het geeft een suggestie van
zijn grenzen.
Er is een behoefte om het werk te concentreren, af te sluiten van alles
wat er omheen ligt.
Hoe meer ik dat doe, hoe beter ik er controle over kan uitoefenen.
Het werk neigt meer en meer naar alleen zichzelf te reflecteren en minder
verbindingen aan te gaan met alle externe factoren rondom. Het gevolg
is dat het afgeschermd wordt van zijn omgeving en zodoende wordt
beschermd, of in sommige gevallen geconserveerd.

Natuurlijk ben ik beïnvloed door de wereld om mij heen; mijn persoonlijke
geschiedenis en dat van anderen, de dingen die ik heb geleerd, de fouten
die ik heb gemaakt, de mensen die ik heb ontmoet. Dit alles heeft me een
referentiekader gegeven wat uiteraard zijn reflectie heeft op mijn werk.
Het werk, echter, heeft tot nu toe, altijd een autonoom en afstandig karakter
gehad. Het geeft nooit letterlijk weer wat er in mij omgaat. Verder laat
ik nooit mensen zien in mijn werk. In mijn tekeningen kunnen wel achitecturale
beeldelementen voorkomen die een menselijke schaal kunnen aanduiden
zoals; een trap, deur, ladder of raam. Dat kan de schaal van het
gepresenteerde beeld verklaren maar toch geef ik daar geen uitsluitsel over.
Mijn werk heeft bijna altijd een onbestemd karakter. Ik geef geen
antwoorden, geen aanvullende informatie die de kijker een richting op moet
duwen. Hij alles zelf invullen, zijn eigen verhaal maken over het beeld.
Daardoor was er meer speelruimte om te interpreteren en fantaseren.
Ook in mijn tekeningen geef ik ook nooit uitsluitsel over hoe naar het
gepresenteerde beeld gekeken dient te worden. Laat de tekening een
verbeelding of voorstel van een bouwwerk zien, zo ja wat is daar dan
de functie daarvan? Wat is de locatie van het werk? Van wat voor materialen
wordt het gebouwd ? Op wat voor een schaal wordt het uitgevoerd ?
Of moet men het gepresenteerde beeld bekijken als iets wat op zichzelf
staat, of misschien wel beschrijven als een abstractie? Misschien
zijn termen als abstract en figuratief wel niet van toepassing op dit werk en
kan het alleen beschreven worden in een taal die even onbestemd is als
het werk zelf. Dat alles laat ik aan de toeschouwer over.
De echte of fictieve muren die het werk omringen, kunnen dat beschermen
maar ook onderdrukken of beklemmen. Het kan mezelf en de toeschouwer
een gevoel van vervreemding geven, vooral omdat ik steeds werk maak
dat steeds verder af staat van de wereld zoal ik hem ervaar vanuit een
persoonlijk perspectief.
Maurice van Daalen, mei 2010







