Los eruit, steen terug

Pieter Bijwaard – tekst van Los eruit, steen terug, Rijksmuseum Amsterdam, 2007  (Voorblad)

Er hingen prille blaadjes aan de platanen, die op ruime afstand van elkaar op het plein stonden, als op hoeken van denkbeeldige vierkanten. De schoolbus die met een sis openging stroomde leeg. Als jonge herten stonden we op een kluitje stil bij elkaar. De meester sprak ons toe: ”bij elkaar blijven en in het museum stil zijn en goed kijken”. Om z’n woorden kracht bij te zetten, keek hij ons allemaal even kort, vriendelijk maar doordringend aan. De groep kwam in beweging; kiezelsteentjes knarsten onder onze bruine plastic sandalen. De zon scheen en er klonk zang en gitaar, dat zich mengde met het koeren van de duiven. Een zachte voorjaarswind blies ons bijeen en even later hobbelde mijn rechterwijsvinger langs een van de gekrulde gietijzeren hekken, die als twee enorme harpen aan weerszijden van de weg stonden.

Nog achtervolgd door een wirwar van doffe metalen klanken, keek ik als elfjarige in een schemerige tunnel omhoog. Weldra vulden we met een gil de onderdoorgang van het Rijksmuseum. Voorjaar 1967.

Als een herder dreef de meester ons de trappen op naar de zalen met schilderijen. Er hing een gewijde stilte in het gedempte licht. Een gids sprak fluisterend over ‘een gouden eeuw’. Onmiddellijk kwamen de schilderijen voor mij tot leven. Het schuifelen van schoenen over het eikenhouten parket was het enige dat ik nog hoorde.

Op een groot schilderij stonden zestien mannen in schutterskledij. De schutter geheel links droeg een oranje vlag, waarvan het uiteinde losjes om z’n middel was geknoopt. Anderen droegen zwarte kledij met daarop witte kragen en lichtblauwe satijnen sjerpen.

Veel speren die de lucht in staken en goed gepoetste zwarte schoenen met hakken en strikken er bovenop. Het schuifelen van de schoenen over het museumparket mengde zich met dit tafereel en het leek of ik de schutters kon horen stommelen in die kale ruimte waar ze stonden opgesteld.

Op een ander schilderij was het zomerlicht zo verbeeld dat je er de warmte kon voelen.

Wolken waren er net als buiten en toch honderden jaren oud. Het trof me dat veel in het landschap was veranderd, maar ook veel hetzelfde was gebleven.

‘Zelfportret op jeugdige leeftijd’ stond er op een bordje bij een klein schilderij.

Het zonlicht viel van achter op Rembrandts nek en schouders en verwarmde zichtbaar de rechterwang. De rest van het gezicht was in schaduw gehuld. De blik in zijn ogen was ontspannen, maar doordringend.

Al in de eerste zaal verstomde het geschuifel achter een geruisloze klapdeur. Een suppoost zei me: ”wel bij de groep blijven jongeman” en met tegenzin sloot ik me weer aan. In die zaal bleef ik opzettelijk als laatste achter en duwde een andere deur open dan die waar de groep doorheen ging. Een eigen tempo was beter en ik dwaalde door de zalen van het ene naar het andere schilderij. Ongemerkt verstreek de tijd. Plotseling klonk: ”het is nu kwart voor vijf, het museum gaat sluiten”. Waar stond ik, waar was de uitgang en waar was de groep? Een suppoost bracht me bij de voordeur en ik rende de schemerige `tunnel’ door, langs het gietijzeren hek, richting de schoolbus. Alleen het koeren van de duiven klonk, maar nu zonder zang en gitaar. Ik zocht de bus. Hier stond hij toch ergens? Ze zullen toch niet…

Ik rende terug naar het museum en kreeg van de suppoost, die nog bij de ingang stond, een paar gulden. Hij wees met z’n vinger over een brug, langs een gracht, een smalle straat in. ”Als je nu rechtdoor loopt en aan het eind links de gracht op gaat, kom je na verloop van tijd vanzelf bij het Centraal Station”. Een groene trein met spitse snuit bracht mij weer thuis.

Zeven jaar later vond ik aan het Museumplein een woon- en werkplek en met regelmaat hoorde ik weer het geschuifel van schoenen over het museumparket.

De schilderijen en met name de collectie tekeningen kregen met de tijd voor mij meer en meer betekenis. Aan het papier waarop getekend of gedrukt was kon je de tijd goed aflezen. Sporen of aanzetten waren er soms op zichtbaar; een potlood of penseel dat even in de boeken en soms ook in het beeld was uitgeprobeerd voordat het werd toegepast. Een inktvlek getuigde van een losse houding en deed al een paar honderd jaar mee in het geheel. Dwarse lijnen over iets wat er ogenschijnlijk eerder had gestaan. Een profiel met zeven contouren. Kleine verschuivingen die de uitdrukking van het gezicht sterker maakten. Veranderingen op papier zijn niet of nauwelijks te verbergen. Een uitgegumd figuur blijft als een schim ‘in’ het papier achter. Oneindig veel soorten lijnen die een subtiele verbinding laten zien tussen het hart en het oog van de maker. Microscopische bewegingen in de tekenhand die het beeld zijn magische lading geven. Bewegingen die, door een gevoeligheid en scherpe waarneming, zichtbaar maken wat zich op dat bewuste moment voor het oog en in de geest van de maker afspeelt.

In het kleine, bijzondere oeuvre van Hercules Seghers zijn die sporen wellicht het meest zichtbaar. Een van zijn bewerkelijke etsen, gedrukt op geprepareerd papier, verbeeldt een rotslandschap met een karrenspoor dat in een onmetelijke verte uit het zicht verdwijnt.

Dwars over dit adembenemend stille beeld zijn touwen van scheepszeilen zichtbaar. Sporen van een ander tafereel op dezelfde etskoperplaat, die doormidden is gesneden en waarover dit rotslandschap geëtst is. Het resultaat van dit dubbelbeeld moet Seghers ongetwijfeld even tot een glimlach hebben gebracht. Even, want in een volgende staat zijn de scheepstouwen uit het landschap geschraapt en is het schip het beeld uitgevaren. Noeste arbeid, om zo’n geëtste lijn uit het koper te schrapen en het oppervlak weer glad te poetsen. Niet dat het volledig uit beeld is verdwenen, want in de volgende staat hangen de touwen nog vaag over de bergen. Ze kunnen nu gezien worden als lichtstralen, die in de verte over een eenzame ruiter strijken, die langs het karrenspoor z’n weg volgt in deze onmetelijkheid.

Na afloop van een rondgang door het ontmantelde Rijksmuseum werd mij gevraagd of ik, als beeldend kunstenaar, iets met de huidige situatie zou kunnen doen.

Nooit eerder was het museum weer zo tot zijn essentie teruggebracht als nu. Wat mij opviel waren de bijzondere verhoudingen van de zalen en de kalme atmosfeer die daar hing. Op sommige plaatsen waren de oorspronkelijke egale kleuren van de zalen weer tevoorschijn gekomen. De doorleefde en gehavende kale muren toonden oude sporen van herstelwerkzaamheden en `blessures’ van veranderingen.

Het waren met name de sporen van veranderingen die het gebouw al sinds de oplevering heeft ondergaan, die mijn aandacht hadden getrokken.

Op twee verdiepingen van het gebouw heb ik deze oude sporen, door middel van een lapje met grafietpoeder, op dun papier afgedrukt. Hierdoor kwam een verhaallijn in beeld.

Een spijkergat, een barst, sporen van een weggeslagen muur, restanten teksten van plakletters, gaten van verwijderde zaalborden, weggescheurd canvas en craquelé in oude verflagen. Als schimmen uit vervlogen tijden leken deze littekens in de muren geëtst.

Door de tijd been moeten er waarschijnlijk verschillende opvattingen zijn geweest over het stucwerk van de zaalmuren. Dat werd ook in de afdrukken zichtbaar.

Soms waren de muren vlak, dan weer ruw gepleisterd. Biopsie wees uit dat op sommige gepleisterde muren een verflaag was aangebracht, waarin stro en houtsnippertjes waren verwerkt, om een beoogd effect te krijgen. In andere zalen waren de muren weer met stuc bespoten, die dikke verte klodders achterliet. Van een coherente huid was na verloop van tijd geen sprake meer.

De omstandigheden waaronder mijn onderzoek plaatsvond waren ideaal. De zalen van de twee verdiepingen waren, op drie duiven na, zo goed als leeg. Dit driespan fladderde via enkele smalle doorgangen in de open dakconstructie van zaal naar zaal en hield mij goed in de gaten.

Tot slot waren daar nog de talloze anonieme timmermansschetsen en de raadselachtige berekeningen, delingen en optelsommen, die als graffiti over de muren van het museum waren verspreid. Het waren deze losse schetsen, die mij inspireerden tot vergelijkbare krabbels, die ik gedurende het onderzoek op papier zette.

Aanwijzingen met rode verf op de muren gespoten, duiden op de huidige verbouwing. Kreten die mij raadselachtig voorkwamen.

Eén van deze geheimzinnige kreten heb ik als titel voor dit boekje gebruikt.

In het voorjaar van 2007 dwaalde ik weer door de zalen van het museum. Het geschuifel van schoenen over het eikenhouten parket was nu verdwenen.

Bij thuiskomst na een bezoek aan het museum vond ik in mijn rechter broekzak de twee houten pluggen, die ik tijdens mijn werkzaamheden uit de muur had gepeuterd. Het bleken takjes van de vlinderstruik. Misschien zijn ze er toentertijd, bij het ophangen van de klok wel eigenhandig ingeduwd door de markante, fljnzinnige maar vooral vooruitstrevende W J. Steenhoff. Als onderdirecteur was hij van 1899 tot 1924 in het museum werkzaam en in die periode schreef hij een inspirerend boekje over Hercules Seghers, dat al sinds lange tijd in mijn bezit is.

 © Pieter Bijwaard, 2007 –

Zie ook: www.pieterbijwaard.nl/

Kunst Pieter Bijwaard Online @ Galerie Witteveen


About Norbert & Oeke

Contemporary Art Gallery & art-dealers since 1988. Our keywords: honest, responsible, good value for money.
This entry was posted in Pieter Bijwaard. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>