Joost Baljeu – De ludieke utopia.
in de catalogus ”Joost Baljeu – Syntetische Konstrukties”, Stedelijk Museum Amsterdam, 25 april – 8 juni 1969, SMA # 461 [zie bibliografie]
Onze hedendaagse situatie, een overgangstijd, schijnt een robotachtig raderwerk dat zo machtig is dat het uit zichzelf, zonder onze bemoeienis of beinvloeding, in staat lijkt onze toekomst verder te bepalen. Dit schept onbehagen.
Het onbehagen in de huidige politiek berust op het ideologisch vakuum dat is ontstaan doordat linkse partijen rechts en rechtse partijen links regeren. Deze vervaging is het gevolg van het feit dat de scherpe kanten tussen het kapitalisme en het socialisme er zo langzamerhand afgeslepen zijn. Wat we vandaag meemaken, is de versmelting van de liberale met de socialistische utopia. De tegenstellingen vallen geleidelijk aan weg of worden alleen nog dogmatisch gehanteerd om het gebrek aan visie te maskeren. De politiek gaat zich steeds meer richten op direkt praktische oplossingen van de dagelijkse problemen.
Politiek verandert in de administratie van het persoonlijke, nationale en supranationale inkomen. De administratie van het wereldinkomen ligt, zoals bekend, nog altijd in de war.
Bij een politiek die, gebaseerd op de alheerser ekonomie, zich beperkt tot het automatistisch vaststellen van gage en trend, verwachte men geen politiek engagement, en nog minder een kultuurpatroon van enig niveau.
Het toenemen van het pragmatisme is een gevolg van het verdwijnen van een visie aan elke zijde. De liberale en de socialistische utopia, doordat ze elkaar steeds meer dekken, heffen zich zodoende op, zodat wij vandaag leven zonder een utopia.
Leven zonder een utopia, is leven zonder een diskussie.
De utopia is een vorm van diskussie over kultuur.
De ludokratie wil de volledige ekonomische en kulturele ontplooiing van de mens binnen zijn persoonlijke mogelijkheden. De ludokratie is totale demokratie. De demokratie van vandaag is totalitair, omdat hij de mens uniformeert tot de status van het ding.
Een utopia is geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een droom die wakkerschudt met een andere, nieuwe werkelijkheid. Waar zijn de dromers?
Het onbehagen in de techniek, de automatie, die leidt tot het ontslag, is geen vrees voor de techniek maar wezenlijke angst voor de ekonomie. Deze angst is gerechtvaardigd wanneer blijkt, dat men aan geen enkele zijde een visie bezit om er dit voor de toekomst zo ingrijpend verschijnsel mee tegemoet to treden. De mens, opgevoed in de leer van steeds meer produceren, besteedt vrije tijd vooralsnog aan . . . overwerk. Zo verandert vandaag demokratie in automatie.
Wanneer de demokratie verandert – en dit wordt noodzakelijk nu de auto nog zijn enige glanspunt is – dan kan hij morgen veranderen in een ludokratie.
Een ludokratie is een gemeenschap van gelijkberechtigden, waarin ieder de architekt van zijn eigen bestaan is en samen met de anderen zijn levensechte stad ontwerpt.
De miljoenen die zich’s avonds in hun betonnen holen terugtrekken bij het gemene licht van de beeldbuis en zich erin koesteren als ware het een hoogtezon, vormen de massa die door de demokratie in de kou is blijven staan.
De demokratie verzorgt de welvaart van de mens, maar deinst terug wanneer het om zijn welzijn gaat. Met de onmacht van de religie en de macht van de diktatuur voor ogen terugschrikkend voor de bemoeienis met het persoonlijkwelzijn van de mens, is de demokratie even absolutistisch als de religie of de diktatuur die men daarbij voor ogen heeft. De demokratie lijdt aan administratieve overhaasting wanneer men meent dat voor het welzijn niet slechts de voorwaarde geschapen, maar ook de manier van vervulling voorgeschreven dient.
De ludokratie is een gemeenschap niet van dwingende voorschriften maar van speelse mogelijkheden.
Het welzijn van de mens is afhankelijk van de ontplooiing van persoonlijke aanleg of talent. Met dit ondemokratisch geschenk van de natuur weet de demokratie geen read. De demokratie administreert talent als een ekonomisch gegeven: gelijke bestaansrechten leiden tot gelijke (on)persoonlijkheden. Zo verabsoluteert de demokratie het talent tot (on)ding.
Het woord kunst raakt in diskrediet omdat het de uiting van talent, dat wil zeggen van persoonlijke ongelijkheid is. Het woord kunstenaar mag er nog even zijn, waarschijnlijk omdat de kunstenaar of hij nu op een bepaald moment wel of geen kunst maakt, evengoed mens blijft.
De demokratie, op negentiende-eeuwse manier, koppelt aan talent nog altijd het begrip genie – de man of de vrouw met de tik – en gelooft daarom nog altijd in het genie (ook wanneer men zich tegen het genie uitspreekt).
Dit is het verschil tussen de demokratie van vandaag en de ludokratie van morgen:
de eerste ziet afgunstig op tegen talent dat wordt versleten voor de uiting van hat menselijk teveel;
de tweede bevordert talent als het uiten van de ervaring van het menselijk tekort.
In de ludokratie speelt men het spel der menselijke mogelijkheden. Men jaagt er niet naar het onsterfelijke, naar de eenzame top van de berg, die alleen maar terugvoert naar de kale vlakte der frustratie.
De ludokratie is het toeristisch dal waarin ieder mens op elk niveau aangenaam kan verblijven.
Waar zijn de dromers?
Zwak zal het onbehagen blijken van een generatie die in een oude generaalsjas gestoken (omdat zij zich een ander leger weten) met een ongekend aantal beatbands de landen bevolkt. De buitenstaander die het niet begrijpt en meent te maken te hebben met een mystiek waarbij alles op haren en snaren wordt gezet, wordt niet gekonfronteerd met een vervreemding van generaties maar met een generatie die bezig is aan een verontwerkelijkingsproces.
Negenennegentig procent van deze beatle-achtigen zullen zich straks weer konformeren met de lemmings die achter de ekonomie aanhollen, om er de samenleving van de dodelijke verveling mee te bestendigen. Wat de opvoeding hen geleerd heeft, thuis en op school, is zich zó te gedragen dat zij ekonomisch zullen slagen.
Wanneer opvoeding en onderwijs erop gericht worden het persoonlijke dat ieder mens in zich meedraagt op een kreatieve manier in gemeenschappelijk verband te bevorderen, in plaats van de voorstelling van de gemeenschap als een ekonomie met een uniform voor iedereen, eerst dan zullen beatle-achtigen beginnen ideeën uit te dragen, grotere en kleinere, die tot een verandering van de werkelijkheid kunnen leiden.
Maar er zijn, in de opvoeding en bij het onderwijs, toch uitzonderingen zei iemand, die vond dat we niet verder hoefden te gaan dan de uitzonderingen.
Waar zijn de dromers?
Samuel Beckett ziet de welvaartsstaat zo: wij wachten bij Godot op niets, wij beleven in onze happy days zulke grote weldaden dat we langzaamaan in de modder wegzinken, wij spelen het endgame van ons rationalisme tot we blind en kreupel zijn, en wij bedrijven de liefde tot we gelijk worden aan de stenen.
De hedendaagse demokratie is een fossiel met miljoenen benen.
De inspraak is hat onbehagen over de verdwenen uitspraak. Zonder utopia zal hat werkelijke gesprek er niet komen.
De demokratie van vandaag speelt met de idee van alles om alles; de ludokratie speelt met de idee van alles om niets.
Kunstenaars zijn niet de Kunstenaars, maar allen die hun persoonlijke aanleg of talent tot verwerkelijking willen brengen. Men hoeft niet kunstmatig de Kunst in leven te houden, wanneer het leven kunst wordt.
De na-oorlogse kunst drukte het onbehagen uit in Tachisme, Zero en Pop-art. Het Tachisme beantwoordde chaos met chaos, en veranderde de feestelijke bevrijdingskleur in zwart, grijs en bruin toen de wereldoorlog versteende tot de koude oorlog. Tachisme verbeeldde de machteloze woede van een generatie die zich een uitzichtloze toekomst voorstelde zonder idealen. In een maatschappij die weinig verheffends bood, werd het verhevene dat de kunst tot dan toe was toegedicht, van haar monoliete voetstuk gelicht, en in de vorm- en kleurloosheid van modder vermorzeld.
Zero is de lege kalmte van de kulturele vermoeidheid, die na het zwartboek poogt een witboek samen te stellen. Aan de bladzijden gevuld met uniforme tekens, objektief volgens het toeval gerangschikt, ontbreekt het verhaal. Zero is de berusting in het hedendaags tekort aan vertrouwen in de menselijke vormwil.
Pop-art spot met sleur en konformisme (de hamburger waar iedereen zich in de lunch pauze op stort; de kroonkurk die het vocht in de ideale gezinsfles afsluit), met lelijkheid (de reklameopschriften die de stadswijken overwoekeren), met kunst geschreven met een grote K (De Vinci, Rembrandt of andere Groten in kombinatie met de alledaagsheid van blikopeners, ontbijtborden of sigarettepeuken). Pop-art geeft de karikatuur die de hedendaagse demokratie is.
Tijdeloos blijft het Neo-realisme. Tijdeloos is ook het heilig egoisme dat schuilgaat achter het konformisme van de burgerlijkheid. Evenals het kameleon past het zich aan, wanneer het zich benauwd voelt. De ‘fijnschilders’ van nu, zijn de kunstschilders van toen.
Vat men de eigentijdse beeldende kunst samen, dan ziet men dat het gezelschap van haar bedrijvers bestaat uit razenden, berustenden, spotters en konservatieven.
Waar zijn de dromers?
De dromers: dat zijn de konstruktivisten. Zij zijn de dromers omdat zij de kunst willen samensmelten met het leven. Van meet of aan ging en gaat het bij de konstruktivisten om de kwaliteit van het bestaan.
Wat het Konstruktivisme uit de twintiger jaren nog aktueel maakt, is dat wij laboratoria nodig hebben waarin we eksperimenteren met de vorm van de toekomst.
Wat De Stijl onaanvaardbaar maakt, is het gebruik van het woordje ‘de’.
Wat De Stijl aanvaardbaar en aktueel maakt, is het volledig nieuwe ruimtekonsept, dat de ruimtelijke vorm ziet als een gelijktijdigheidsgebeuren. Dit verklaart het gebruik van het woordje ‘de’. Waarin De Stijl tekort schoot is, dat het ruimtekonsept ophield bij het gebouw en zich niet voortzette in de stedebouw. Moet niet de stad een grote woning en de woning een kleine stad zijn ?
Veel hedendaagse architekten geven de voorkeur aan of wonen in de oude binnenstad. Deze architektuur van de menselijke meat ontstond destijds zonder piano-, socio-, topo-, psycho- of andere -logen. Zo logenstraffen de architekten de door hen ontworpen moderne buitenwijken.
De vraag wat het verschil is tussen een architekt en een kunstenaar is een onzinnige vraag.
Het Funktionalisme zal zichzelf opheffen doordat het begonnen is een hobby-ruimte bij te bouwen.
Romantiek is niet het bouwen van het bijna niets, maar het niets vormen tot iets. Romantiek is een gebeuren.
Rationalisme en pragmatisme in bouwkundige termen vertaald, zijn synoniemen voor symmetrie en herhaling, de wezenskenmerken van ons hedendaags bouwen.
Het Funktionalisme sprak van de funkties ‘werken’, ‘wonen’, ‘eten’ en ‘slapen’, maar vergat het ‘leven’.
Zolang het bouwen zich beperkt tot de vraag ‘hoe en waarmee kan ik het maken’ (konstruktietechniek en materiaal) en daarbij haar opdrachtgever, de menselijke samenleving, blijft terugdringen tot de positie van de anonymus, zal het onbehagen in de architektuur blijven voortduren.
Vormgeven is kiezen tussen dat wat is en dat wat niet is. Vormgeven is een spel van mogelijkheden. Vormgeven is grenzeloze nieuwsgierigheid.
Wanneer de automatie een feit wordt en de mens zijn vrije tijd kreatief kan en wil besteden, zal de ludieke stad beantwoorden aan eisen van kreatief en rekreatief zijn en niet uitsluitend aan utiliteitsvoorwaarden.
De ludieke stad kent geen verkeersprobleem in de zin van een spitsuur. Er zijn verschillende uren waarop de korte werktijden beginnen en eindigen, waardoor de verkeersdrukte wordt verspreid over de hele dag. Doordat de stad in verschillende lagen is gebouwd, zullen bepaalde vervoerssektoren andere niet hinderen. Aan- en afvoer van grondstoffen en produkten bijvoorbeeld volgen eigen wegen. De ludieke stad ligt in de natuur en de natuur ligt in de stad. De natuur kan zich in de stad voordoen op de vijfde laag zogoed als op het niveau van het maaiveld.
De ludieke stad kent geen werk-, uitgaans- of woonsektoren, omdat ze geen klassieke, allesbeheersende kern heeft, maar bestaat uit een konglomeraat van sub-centre. In elk van deze kleinere centra komen alle menselijke verrichtingen samen.
Open en bebouwde ruimte zullen elkaar in een meer evenwichtige verhouding zodanig doordringen, dat de stad een grote speelplaats wordt. Het spelelement zal dan zowel het kind als de volwassene voortdurend begeleiden vanuit de open, parkachtige, terrasvormige, plastisch gekonstrueerde buitenruimte tot aan en achter de ingang van de niet minder kreatief gevormde leefruimte.
Dit betekent dat er in de tussengebieden van de geheel open buitenruimte en de beschermende binnenruimte zich overgangsruimten zullen voordoen die niet glasdicht zijn of al het hemelwater tegenhouden ruimtelijke konstrukties die het totale plastische aspekt van de ludieke stad zullen intensiveren. De onderling met elkaar verbonden konstrukties die tezamen de speelstad vormen, onverschillig welke funktie van het leven zij dienen, zullen een gevarieerd plastische vorm bezitten en door kleur een feestelijk aanzien verkrijgen.
Dit kan gerealiseerd worden met eenvoudige bouwelementen in een fleksibel systeem, zodat een oneindig aantal varieties kan worden toegepast. Ook de natuur heeft maar enkele bouwwetten en een beperkt aantal strukturen om er een eindeloze variatie mee uit te drukken. De ludieke stad bevat geen monumenten. De ludieke stad is een ononderbroken keten van architektonische momenten.
Elke welvaartsstaat wordt voor de keus gesteld: door de welvaart in onverschilligheid ten onderte gaan, of door een vorm van kultuur levend te worden. Het doen van deze keus is de noodzaak van onze tijd.







