(A)Dolf Breetvelt

Breetvelt, door Rob Delvigne (© 2005) 

A (-Dolf) Breetvelt had al een half leven achter zich, toen hij na de oorlog abstract ging werken. Als 27-jarige ging hij in 1920 naar Nederlands-Indië en werd daar tekenleraar. In zijn vrije tijd schilderde hij, vooral op Bali. Zijn werk tendeerde steeds meer naar het surreële, culminerend in een tentoonstelling in Galerie Robert (Amsterdam 1941), die in surrealistisch werk gespecialiseerd was. Breetvelt was kort voor de oorlog vervroegd gepensioneerd en naar Nederland teruggekeerd. Op de naoorlogse jaarlijkse vlootschouw ”Amsterdamse schilders van nu”, gehouden van 1948 tot 1950 in het Stedelijk Museum, was Breetvelt met abstract werk vertegenwoordigd. Ondanks de massaliteit werden zijn inzendingen opgemerkt: het Stedelijk kocht in 1948 een olieverf aan. Tot zijn genoegen hing Breetvelt in 1950 met z’n inzending naast Appel. Breetvelt maakte deel uit van de Commissie voor de Wandschilderingen, die in 1951 Karel Appel de opdracht gunde om de bar in het Stedelijk Museum te beschilderen.

Breetvelts werk kwam meer tot zijn recht op exposities van gelijkgestemden, verenigd in Vrij Beelden. In 1949 deed hij voor het eerst mee met gouaches, waar kunstcriticus J.M. Prange in Het Parool over te spreken was. Breetvelt verrichte secretariaatswerk voor Vrij Beelden en hielp Frieda Hunziker bij de voorbereiding van tentoonstellingen. In 1950 werd veel werk van Breetvelt opgehangen op de meubelafdeling van De Bijenkorf Amsterdam, waar meubelverkoper/kunstverzamelaar Martin Visser al eerder Cobra de gelegenheid had gegeven te exposeren.

In 1950 was er een grote overzichtstentoonstelling van ”Nieuwe stromingen in de beeldende kunst” in het Stedelijk. Breetvelt was uitverkoren voor de non-figuratieve afdeling. In datzelfde jaar in Parijs deed Breetvelt mee op de jaarlijkse salon Réalités nouvelles, waar abstract werk vertoond werd. Michel Seuphor nam Breetvelt op in zijn overzichtswerken Dictionnaire de la peinture abstraite (in het Duits: Knaurs Lexikon abstrakter Malerei), 1957 en in Die Plastik unseres Jahrhunderts, 1959.

In 1951 ging Breetvelt ook abstracte beelden maken. Hij werkte daaraan op het atelier van zijn vriend Hans Ittmann. Het dure, veelal tropische hardhout voor hun beelden smoesden ze los bij handelaren in de Amsterdamse houthavens. Op die manier was beeldhouwen goedkoper dan schilderen, en konden de donkere wintermaanden overbrugd worden.

Abstracte kunst werd in de jaren 50 nauwelijks gekocht. Op vele tentoonstellingen van Vrij Beelden en later van Liga Nieuw Beelden werd geen enkel kunstwerk verkocht. Breetvelt had naast zijn magere Indisch pensioen nog enige inkomsten met vergaderwerk. Jarenlang heeft Breetvelt in de Commissie gezeten die het ingezonden werk voor de contraprestatie, later de BKR, beoordeelde. In de Amsterdamse kunstenaarswereld was Breetvelt zo een bekende verschijning.

Breetvelt stond een schilderij af voor de rondreizende tentoonstelling ”Kunstenaars helpen”, ten bate van de slachtoffers van de Zeeuwse watersnoodramp (1953). De ingebrachte kunstwerken werden verloot. Enkele gelukkige winnaars werden door Sandberg gevraagd om hun kunstwerk om te ruilen voor een werk uit de Boendermaker-collectie die het Stedelijk wilde afstoten. Sandberg had o.a. zijn zinnen gezet op het schilderij van Breetvelt, en zo kwam de tweede Breetvelt in de collectie van het Stedelijk.

Begin jaren 50 beijverde de Stichting Kunst en Gezin zich om met tentoonstellingen de moderne Nederlandse (beeldhouw)kunst onder de aandacht te brengen. De werken op deze tentoonstellingen werden door de Stichting (later geheten: de Nederlandse Kunststichting) van de kunstenaars gehuurd. Enkele van deze tentoonstellingen hadden een landelijke uitstraling: Beeldententoonstelling Stadspark Groningen 1954, de Keukenhof (1955 en later), Nederlandse kleinplastiek van 1900-1956 (Rijksmuseum Twenthe), Bylden 1864-1964 (Leeuwarden). Bij al deze gelegenheden was werk van Breetvelt te zien.

Breetvelt bleef zijn werk ook tonen op exposities van Vrij Beelden en de afsplitsing daarvan, Creatie. Uit deze clubs werden in 1954 twintig kunstenaars gevraagd door de Twentse textielindustrie om abstracte textielstoffen te ontwerpen. Een overzicht van dit werk werd getoond in het Stedelijk: ”Textiel ’55 dessin en stof”. Enkele ontwerpen van Breetvelt werden door De Bijenkorf aangekocht en in 1956 tentoongesteld, vergezeld van een beeld dat Breetvelt had gemaakt voor een spraakmakende thematentoonstelling van Liga Nieuw Beelden: ”Architectuur en beeldende kunst” (SMA 1955).

Door de instelling van de percentageregeling was er geld beschikbaar voor kunst in nieuwbouw van overheidswege. Op die manier zijn enkele werken van Breetvelt in de ”openbare” ruimte terechtgekomen, onder andere een wandkleed in het gebouw van Publieke Werken in Amsterdam en een metalen vogel op pyloon op het Roeterseiland.

Breetvelt was met 3 ”abstracte composities” vertegenwoordigd op de tentoonstelling van Nieuw Beelden eind 1956, waar Armando zijn ”peintures criminelles” toonde. Het deed Prange in Het Parool spreken van ”ontaarde kunst”. Uit wraak bewerkstelligden de kunstenaars dat Prange uit de sectie Nederland van de Association International des Critiques d’Art geroyeerd werd.

Ook via de Stichting Kunst en Bedrijf wist Breetvelt af en toe te verkopen. Een meubelfabrikant kocht in 1957 een beeld van Breetvelt (en van Ittmann) voor de directeurskamer van de nieuwe Bijenkorf in Rotterdam. Bijenkorfdirecteur en kunstverzamelaar G. van der Wal vond het beeld van Breetvelt zo mooi dat hij het mee naar huis nam. Bij de verkoop van de Bijenkorf-collectie in 1995 werd wel het beeld van Ittmann geveild, maar dat van Breetvelt inderdaad niet.

Vanaf eind jaren werd er werk van Breetvelt door het Rijk aangekocht: schilderijen in 1959 en 1961, een beeld in 1964.

Sandberg verliet het Stedelijk in 1962. Hij zal toch nog betrokken zijn geweest bij de voorbereidingen van de eenmanstentoonstelling die Breetvelt in 1963 in Museum Fodor kreeg. De expositie was ingericht door Wim Kersten, de openingstoespraak werd gehouden door architect Norbert Gawronski.

Na zijn vriend Piet Ouborg kreeg Breetvelt een solotentoonstelling in Galerie Waalkens, Finsterwolde annex De Mangelgang in Groningen, 1965. Verder waren er bij zijn leven tentoonstellingen in de Heineken Galerij (1966), bij de Spaarbank voor de Stad Amsterdam (1970, ingeleid door Leo Braat) en in 1973 bij Centraal Beheer Amersfoort (op verzoek van Teun Renes).

Breetvelt overleed in 1975.

Zie ook: Caroline Roodenburg-Schadd, Dolf Breetvelt, in Vrij Beelden en Creatie, 1996 p. 40-41.


About Norbert & Oeke

Contemporary Art Gallery & art-dealers since 1988. Our keywords: honest, responsible, good value for money.
This entry was posted in (A)Dolf Breetvelt, Jaren '50. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>