uit de catalogus Rineke Marsman ‘Retrace’ , Galerie Witteveen,feb 2003
RETRACE
door Jonieke van Es
In de schilderijen van Rineke Marsman staan kinderen centraal; ze vormen het ‘hoofdmotief’ van haar werk. Vaak is slechts een enkele figuur te zien, waarvan alleen het hoofd is weergegeven, dat het hele beeldvlak vult. Soms ook is een kind ten voeten uit geschilderd, of vormt een groepje kinderen het onderwerp van een schilderij; volwassenen figureren er slechts bij hoge uitzondering. De kinderen doen zich op bij zondere wijze aan ons voor. Ze zijn opgezet in fijn getekende lijntjes en vervolgens overschilderd met vele lagen transparante verf (als was het geen olie-, maar waterverf). Dit geeft ze een ijle aanwezigheid: het betreft niet langer wezens van vlees en bloed, maar veeleer verschijningen – onstoffelijk en efemeer. Dat over veel van deze portretten letterlijk een waas is aangebracht – een laatste, halfdoorschijnende, soms gewassen, soms streperig gepenseelde laag – versterkt die suggestie nog.
De positie en ‘aankleding’ van de kinderen ontleent Rineke Marsman aan foto’s, een belangrijke bron van inspiratie voor haar werk. De fotografische herkomst van het beeld kan in haar schilderijen worden afgeleid uit het gegeven dat de hoofden van kinderen vaak als bij pasfoto’s in het vlak zijn geplaatst. En ook wanneer kinderen ten voeten uit, al dan niet als groep in beeld zijn gebracht, volgen positie en compositie de schemata van de (groeps)portretfotografie. De schilderijen zelf zijn echter geenszins kinderportretten; het zijn schilderijen náár kinderportretten. Want hoewel Rineke Marsman de kinderen van de foto’s in haar schilderij en meestal meer dan levensgroot in beeld brengt (en deze daardoor heel dichtbij komen) is het gevoel van tastbaarheid en levensechtheid dat een foto teweegbrengt – de sensatie van het er ooit zo geweest zijn’ – in haar schilderijen weggefilterd.
Dáár zijn de kinderen veeleer aanwezig als in een droom. Van de neutraliteit van de foto – de gelijkwaardige presentatie van alle onderdelen, of het nu om een blik, een kaaklijn of een kraagje gaat – blijft weinig over, en het is opvallend, dat telkens weer het gelaat het meest is ‘weggeschilderd’, verhuld. Het maakt het ‘portret’ minder herkenbaar, meer anoniem. Dit wordt nog versterkt doordat de kinderen in de schilderij en naamloos zijn: Rineke Marsman geeft haar werken geen afzonderlijke titels, hooguit duidt ze een groep van werken met
eenzelfde titel aan. Zoals in het geval van Le memorial des enfants (‘het gedenkboek van de kinderen’), een reeks schilderijen waaraan Rineke Marsman sinds 1996 werkte en die in 1999 werd afgesloten met een presentatie – haar eerste in een museum – in het Van Reekum Museum. (1) De directe aanleiding tot het schilderen van kinderen vormde een monumentaal boek dat in 1995 in Frankrijk verscheen: Le Memorial des Enfants Juifs Deportés de France. Hier zijn alle joodse kinderen – veelal met foto – opgenomen die in Wereldoorlog vanuit Frankrijk naar de Duitse concentratiekampen werden weggevoerd. En hoewel de werken die eruit voortkwamen óók als een eerbetoon bedoeld zijn – een hommage zowel aan de joodse kinderen, als aan Serge Klarsfeld, de samensteller van het boek – reikt de betekenis ervan verder dan dat alleen. Al schilderend verbreedde het onderwerp zich, kreeg het een andere, meer persoonlijke invulling. In een interview verwoordde Rinek dit aldus: ”Het begon natuurlijk met de emotie, dei je bevangt als je kennis neemt van al die verdwenen kinderen. Maar gaandeweg kreeg het een soort gelaagdheid, werd het een soort reis door ruimte en tijd van mezelf. Het joodse aspect verloor zijn prominente plaats in het verhaal; herinneringen maken er nu deel van uit.”‘ (2)
Kinderen verdwijnen. In het geval van de joodse kinderen in de Tweede Wereldoorlog op dramatische en gruwelijke wijze maar ook wanneer kinderlevens niet letterlijk gebroken worden, ‘verdwijnen’ ze: in het vanzelfsprekend onherroepelijke proces van opgroeien en volwassen worden.
Deze verdwijning in metaforische zin lijkt het werkelijke onderwerp van Marsmans schilderijen, waarbij opvalt dat,haar beelden kindzijn en volwassenheid vaak aan elkaar raken. De kinderen die ze schildert wekken veelal de indruk vroegtijdig ‘volwassen’ te zijn geworden (zoals trouwens kinderen op foto’s vaak ouder lijken dan ze in werkelijkheid zijn): hun uitdrukking is serieus en soms zelfs ouwelijk – en alleen de grote hoofden boven tengere lijfjes verraden hun leeftijd. De fascinatie voor juist foto’s uit de jaren dertig komt wellicht mede hieruit voort: het is de tijd van kinderen in keurige jurkjes en pakjes, met kragen en kant, de haren glad gekamd of strak gekapt, al dan niet voorzien van een enorme strik. Maar hoewel ‘Le memorial’ nog steeds in haar atelier vinden is, vormt het boek niet langer de enige bron waaruit Rineke Marsman put. Er zijn kinderen uit andere tijden eb culturen bij gekomen: vermiste kinderen, straatkinderen, kinderen die kinderarbeid verrichten. Ook hier betreft het steeds kinderen waar ‘iets mee is’: ze groeien op in moeilijke omstandigheden, ze zijn niet schattig en ‘blanco’, maar tonen hun eigen persoonlijkheid, zoals kinderen die al heel duidelijk aan de dag kunnen leggen. In Rineke Marsmans schilderijen geen sprake van verheerlijking van jeugd en jongzijn, maar evenmin van deernis en medelijden: daarvoor zijn haar kinderen te sterk en vitaal. Ze verschijnen vaak opvallend strijdbaar, en in combinatie met het besef van hun weerloosheid, verleent dit de beelden een wonderlijke poëzie.
Hoewel ook in de schilderijen die na de tentoonstelling in Van Reekum Museum ontstonden, kinderen prominent aanwezig zijn, is hierin meer plaats en ruimte – zowel letterlijk als figuurlijk – voor andere elementen. Het ‘focussen’ op het kind wordt minder. Een goed voorbeeld daarvan is een langgerekt, horizontaal schilderij, dat uit drie afzonderlijk doeken is samengesteld. Het grootste, centraal geplaatste doek laat een verwaaid landschap zien. Daar overheen, of beter gezegd er dóórheen opent zich een langgerekte, doosachtige binnenruimte, waarvan de achterwand als een wittig vlak even oplicht. Landschap en ruimte zijn gelijkwaardig aanwezig; het beeld is dubbel, alsof twee films over elkaar zijn gelegd. Het landschap, geschilderd met duidelijk zichtbare penseelstreken in donkergroen en blauw, doet onherbergzaam en verlater en ook de kamer – asymmetrisch in het beeld gezet, met dieptelijnen die een sterke ruimtewerking hebben – is kaal en leeg. Het centrale doek wordt geflankeerd door twee jongens: de linker in frontaal, de rechter in driekwart aanzicht gezien. Van beide jongens, vermoedelijk een jaar of tien oud, is alleenl het hoofd in beeld gebracht, dat groot en beeldvullend in het vlak is geplaatst – de nabijheid ervan alleen al contrasteert met de verte en ruimte die landschap en kamer oproepen. En tegelijkertijd is er ook hier de suggestie van afstand: de gezichten, triest van uitdrukking, lijken door een waas van vloeistof gezien. Transparant geschilderd in nuances grijs blauw, doen de ‘portretten’ vluchtig en immaterieel aan.
Fascinerend aan het schilderij is, dat de diverse elementen – landschap, kamer en jongens – op zichzelf staan en toch tot een overtuigend, zij het niet geheel te duiden, totaalbeeld zijn samengesmeed. Dat het werk als een eenheid wordt ervaren, komt vooral door de haast klassieke compositie van de drie doeken samen. De opbouw uit middendeel is strict symmetrisch- als betrof het een hedendaags altaarstuk – en dynamiek van het middelste doek wordt nog versterkt door de ‘portretten’: de blik van de rechter jongen leidt naar de kamer en accentueert de dieptelijnen rechts, terwijl de frontale positie van de jongen links de afsluiting van de kamer ter linkerijze benadrukt.
De transparantie en gelaagdheid in de wijze waarop landschap, kamer en jongens geschilderd zijn, contrasteert met een rijtje van vier kleine stippen op elk van de portretten, rechts felrood, links helder blauw van kleur. Deze dekkend geschilderde stippen werken (ver)storend in die zin dat ze het illusionistische karakter van de jongensgezichten weerspreken. Ze benadrukken het vlak en lijken – niet in het minst vanwege hun opvallende kleur – te zijn bedoeld als signaal, als relativering van het wellicht al te bedrieglijk naturalisme van de portretten. Het zijn dissonanten die de spanning binnen het beeld vergroten en het daardoor kracht bij zetten.
Dit schilderij maakt deel uit van een nieuwe reeks van werken die Rineke Marsman benoemt met de titel Retrace. Deze aanduiding – in de betekenis van ‘nagaan’ en ‘terugvinden’ – sluit nauw aan bij het al genoemde Le memorial des enfants, en ook bij de titel van Marsmans afstudeerpresentatie in 1992: Sporen. Het element van het zich herinneren, het al schilderend ‘terughalen’ van iets dat er ooit is geweest, blijft een opvallende constante in haar werk.
Veel van Marsmans recente schilderijen zijn uit verschillende doeken opgebouwd, waarbij heel uiteenlopende beelden worden gecombineerd. Zo komen op een aantal onlangs ontstane werken bedden voor, die als ruimtelijke elementen in verder lege kamers zijn geplaatst. Ze staan voor Rineke Marsman in directe relatie tot de kinderen: het bed als metafoor voor een eigen plek van het kind, waar het beschutting en veiligheid vindt. Maar tegelijkertijd verleent het kistachtige karakter van de bedden zoals Marsman ze schildert de beelden iets grimmigs en roept het associaties op met de dood (hetgeen door de kunstenaar overigens niet zo is bedoeld). Anders van aard zijn de doeken met abstracte patronen, zoals cirkels, golvende lijnen en rasters die ze in haar schilderijen ‘opneemt’. Terwijl het bed een element is dat een illusie van ruimtelijkheid oproept, accentueren de vaak decoratief aandoende patronen juist het platte vlak. Maar evenals de bedden, kennen deze doeken een inhoudelijk aspect: ze zijn soms lieflijk en zacht van kleur (zoals de cirkels in de achtergrond van het schilderij met een schimmig, staand meisje), dan weer hard en schril (zoals het doek met paarsblauwe cirkels, dat deel uitmaakt van een werk met drie jongens in roodbruin-tinten – een haast vloekende kleurcombinatie, die het werk het karakter van een aanklacht geeft). Dat schilderkunstige elementen een centralere plaats innemen, wijst er op dat meer dan in de vroegere schilderijen, in het recente werk het schilderen zelf tot thema wordt. In de zoektocht naar een balans tussen onderwerp en uitvoering, lijken beide aspecten nu meer aan elkaar gewaagd te zijn. Rineke Marsmans nieuwste schilderijen kunnen worden beschouwd als een onderzoek naar de verschillende mogelijkheden van verf en penseel, naar de paradox van de suggestie van ruimtelijkheid en de realiteit van het platte vlak; ten aanzien van het onderwerp kiest ze voor uitersten, die worden samengesmeed tot een onbenoembaar en intrigerend geheel.
(1) Zie: tent.cat. Le memorial des enfants. Rineke Marsman. schilderijen 1996-1999, Apeldoorn (Van Reekum Museum) 1999, met teksten van Frits Bless en Marlon Wolfs.
(2) René de Cocq, ‘Portretten met een nieuwe waarheid. Rineke Marsmans schilderijen van verdwenen kinderen in Van Reekum Museum’, Apeldoorns Courant, 25 februari 1999.







