(de kunst van toen, de wereld van nu) door Hans Sizoo *)
Kunst die bericht over kunst: sinds de Pop Art en de Nieuwe Figuratie van de jaren 60 spoelde zulke kunst in zo veel golven langs de kusten van de kunstwereld aan dat het tijd wordt voor een indeling. De indeling die mij het meest interesseert is niet de chronologische en niet die in soorten van geïnterpreteerde kunst maar een heel andere. Ze deelt alle denkbare vormen van deze kunst tezamen in slechts twee soorten in. Te weten: in enerzijds de soort van de gewone en echte kunst en anderzijds de soort van het jatwerk. Immers kunst die andere kunst als vertrekpunt neemt kan ook daar nog toe leiden al zal de verpakking wat chiquer zijn. En de voorbeelden waaraan ik denk – in dit artikel kunnen ze verzwegen blijven – plegen soepel over de toonbank te gaan. Hoe echter komen we achter het onderscheid ?
Een antwoord op die vraag werd me aan de hand gedaan door mijn eigen kennismaking met het werk van Frans Franciscus (geb.1959), die op de aanstaande kunstbeurs ‘Art Twente’ gehuldigd wordt met de prijs van het Publicatie- en Ondersteuningsfonds, bestaande uit een monografie en uit een solostand met zijn werk. De eerste kennismaking met dat werk, alweer een jaar terug bij Galerie Witteveen in Amsterdam, verraste me op een manier waarop alle goede kunst me kan verrassen. Daar was opeens die wenkende kracht van een beeld waarin een poëzie die even grijpbaar als raadselachtig aanwezig was zich aan het oog en het gemoed presenteerde in een perfecte synthese van heldere vorm en mysterieuze atmosfeer en kleur. Bingo dus; maar verder nog geen idee waar deze kunst over ging. En dat terwijl de kunst die er door Franciscus was geïnterpreteerd niet eens zo onbekend was en ik toch gewoon een kunsthistoricus ben. Pas een jaar later door Franciscus op diens atelier op een spoor gezet kwam de herkenning van wat me tot dan toe was ontgaan. Zoals het kwam was dat aha-ervaren echter een toegift – op een geheel dat me los van de herkenning zijn waarde en betekenis al bewezen had. Niet het aandeel van Leonardo da Vinci, van Hendrick ter Brugghen of van Caravaggio had me dus verleid maar alleen dat van Franciscus – hetgeen op van alles en nog wat maar niet op jatwerk duiden kon.
De schilderkunst die Franciscus vanaf een vroeg moment van inspiratie voorzag is de schilderkunst van Renaissance en Barok, vooral waar deze helder in de vorm wil blijven. Waren het aanvankelijk vooral de smakelijke taferelen van de Griekse mythologie die de fantasie prikkelden, tegenwoordig is de aandacht meer gericht op de schilderkunst die voor religieus gebruik werd gemaakt, met name in katholieke sferen. Het leven der heiligen, Bijbelse taferelen, engelen en andere hemelbewoners, de Heilige Familie: kortom alles wat van de weldenkende atheïst al zo lang niet meer mag. Daar Franciscus uit een milieu van zulke weldenkenden afkomstig is en zich ook zelf tot niets bekeerde wist hij hoegenaamd niets van katholieke betekenissen en boodschappen af toen hij gefascineerd raakte door juist deze schilderkunst. Zulke onwetendheid echter kan ook nog de zegen brengen van de onbevangenheid. En natuurlijk: die katholieke kunst is niet alleen maar katholiek, zoals er in de erwtensoep niet alleen maar erwten te vinden zijn. Behalve mooi en prachtig bleek de kunst die Franciscus interesseerde juist in haar taferelen en uitdrukkingen ook nog heel menselijk te kunnen zijn. Beter dan de abstracte kunst die hem op de academie geleerd was sloot ze aan bij wat Franciscus namens zichzelf te vertellen had, vanuit zijn eigen fantasie die de fantasie van een a-religieus mens in en vanuit het Holland van tegen het jaar 2000 was. Langs deze lijn, een lijn van algemene menselijkheid, was er dus toch nog een common ground te vinden die hem met dat onbekende en voor hem zo vreemde verleden verbond. Wat kon er dus boeiender zijn en vruchtbaarder voor de eigen fantasie dan het aanknopen van een gesprekje vanuit de eigen wereld en de eigen tijd met juist deze kunst ?
Het gesprek dat Franciscus aldus begon aan te knopen met de kunst van het verleden is meer dan alleen een gesprek tussen vakbroeders. Het gaat er om dialogen van Franciscus als waarnemend mens van zijn eigen tijd en wereld met de dito berichten vanuit een andere wereld en een andere tijd. Waar houdt de tijdgebondenheid op en waar begint de gemeenschappelijkheid ? De mensen in de taferelen van Franciscus zijn zonder uitzondering mensen van vandaag, door uiterlijk, kledij en ook door bezigheid, maar hun houding en situatie kan tegelijk doen denken aan mensen in de kunst van eeuwen. Zo ligt dat bijvoorbeeld de verhouding waar een gezinnetje naar Zuid-Afrikaans blank ideaal voor ons poseert, compleet met zwarte gedienstige maar door een muurtje beschermd tegen een buitenwereld die alleen door de twee lelieblanke peuters vooraan nog niet als dreiging wordt gevoeld. Volgens de titel echter gaat het om een heilige familie. En inderdaad: we staan hier voor een incarnatie van de Heilige Familie met de Kleine Johannes, ca 1540 door Bronzino. Ook daar een ideaal zoals de zeer monumentale Renaissance-vormen het ideaal doen blijken. Maar ook daar een dreiging, die ditmaal van een somber landschap uitgaat.
Niet zelden trouwens deed de oude kunst Franciscus denken aan persoonlijke bekenden, met een portret als resultaat. Zo is er het portret van zekere Pascal, geïnterpreteerd naar de Johannes de Doper die ons in het laatste schilderij van Leonardo da Vinci met een lachje van schalkse verstandhouding de weg wijst naar omhoog. Waarheen echter voert bij Pascal de weg ? Ze brengt ons tot een koket getrimde poedel die over Pascals hoofd ligt gedrapeerd. Weliswaar kan die poedel nog doen denken aan het Heilige Lam dat in andere beeltenissen van Johannes het doel is van de weg, maar toch. Was het zomaar een bizarre fantasie van Franciscus ? Misschien was het nog iets meer. Dat poedeltje immers sluit ook nog aan ook bij het homofielige sfeertje dat ook de Johannes van Leonardo al omgaf. Bij iets heel menselijks in deze Johannes dus – en waarom zou dat een mens van vandaag niet kunnen interesseren.
En dan vervolgens ik, die daar uit mezelf Da Vinci niet wist bij te halen. Maar hoe kwam dat zo ? Ook los van die poedel en los van de verdere kledij onderging de Sint een metamorfose. De belichting, de kleur, de atmosfeer, de plastische vorm, kortom de hele picturale uitstraling werd naar Franciscus’ hand gezet. Zoals zo’n vertaling in al zijn schilderijen naar andermans schilderij de toedracht blijkt te zijn. Wat telde was en is de fantasie van een kunstenaar die leeft in het hier en in het nu, dus niet alleen maar in het museum dat een deel is van het hier en nu. Hoe dat museum zijn aandeel kreeg in het beeld van Franciscus’ fantasie is leuk om te weten; en bij deze dus. Maar van belang is het uiteindelijk niet.
Art Twente, t.o. stand Galerie Witteveen, 11 october – 16 october 2001
*) uit : Kunstbeeld, October 2001, pp 35 t/m 36
Zie ook: www.fransfranciscus.com/
Kunst Frans Franciscus Online @ Galerie Witteveen







